Onderzoek soortspecifieke gevoeligheid voor tijdelijke gehoorschade bij mariene zoogdieren
Kastelein, R.A., Helder-Hoek, L., Van Acoleyen, L., Defillet, L.N., and Terhune, J.M. (2024). Temporary hearing threshold shift and testing the equal-energy hypothesis in a harbor porpoise (Phocoena phocoena) after exposure to a continuous noise band at 8 kHz, and a revised TTS-onset function. Aquatic Mammals, 50(5), 445-459, DOI
Samenvatting
Voor elke zoogdiersoort wordt aangenomen dat het patroon van gevoeligheid voor tijdelijke gehoordrempelverschuivingen (TTS) bij veranderende frequenties gerelateerd is aan het patroon van gehoordrempels bij veranderende frequenties (het basisaudiogram). Deze relatie is getest bij één individu van elk van drie mariene zoogdiersoorten: één bruinvis (Phocoena phocoena) en twee pinnipedsoorten; gewone zeehond (Phoca vitulina) en Californische zeeleeuw (Zalophus californianus).
De audiogrammen lieten zien dat ze vergelijkbare basale gehoordrempels hadden bij 8 kHz (respectievelijk 61, 59 en 60 dB re 1 µPa). Gehoordrempels voor smalbandige frequentiesweeps bij 11,3 kHz (de gehoorfrequentie waarbij de grootste TTS bij alle drie de soorten optrad) vóór en na een blootstelling van 1 uur aan een continu, constant-amplitudeniveau, eenzesde-octaaf ruisband gecentreerd op 8 kHz bij verschillende geluidsblootstellingsniveaus (SEL’s) lieten zien dat de TTS die de drie individuen ervoeren, verschilde.
Het patroon van toename van TTS bij toenemende SEL was steiler voor de bruinvis en de gewone zeehond dan voor de Californische zeeleeuw. Dit betekent dat het optreden van TTS bij elk van de drie mariene zoogdiersoorten plaatsvindt bij een ander sensatieniveau (d.w.z. bij een verschillend aantal dB boven de basale gehoordrempel). Daarom zijn voor elke soort verschillende beleidsmaatregelen, aanbevelingen of regelgeving voor toegestane geluidsblootstelling nodig.
